Skip to content

Autisme spectrum stoornis (ASS) ​

Laatst bijgewerkt op: 13-5-2026

NOTITIE: Deze pagina in nog in ontwikkeling.
DISCLAIMER
Ik ben geen professional en ben niet opgeleid in dit vak. Hoewel deze informatie zo veel mogelijk naar waarheid geschreven is, kan het zijn dat niet alles helemaal klopt. Probeer altijd zelf onderzoek te doen en wees kritisch.

Inhoud:

Op deze pagina wordt autisme spectrum stoornis (ASS) in meer detail uitgelegd.

Autisme spectrum stoornis (ASS) is en neurobiologische ontwikkelingsstoornis. Dit betekend dat het onderdeel is van je brein en de ontwikkeling hiervan beïnvloed.

Diagnostische criteria ​

Je moet om een ASS diagnose te krijgen in Nederland voldoen aan de diagnostische criteria uit de DSM-5-TR. In het geval van ASS moet je aan alle 3 de subcriteria van domein A, minimaal 2 van de 4 subcriteria van domein B en aan criteria C, D en E voldoen.

Domein A (sociale communicatie) ​

Dit domein gaat over beperkingen in de sociale communicatie en interactie. Ze moeten in verschillende situaties voorkomen. Hier moet je aan alle subcriteria voldoen om in aanmerking te komen voor een ASS diagnose, op dit moment of in het verleden.

A1: Beperkingen in de sociaal-emotionele wederkerigheid ​

Sociaal-emotioneel betekend dat het gaat over sociale interactie en emotionele uitwisseling. Wederkerigheid geeft aan dat het met "geven en nemen" gaat. Als je ze samen stopt betekend sociaal-emotionele wederkerigheid dus het proces binnen sociale interacties en emotionele uitwisseling waarin het contact "over en weer" gaat.
Voorbeelden zijn:

  • Minder goed zijn met over en weer contact. Bijvoorbeeld:
    1. Je snapt niet wanneer het jouw beurt is om te praten.
    2. Je stelt geen of amper vragen aan de ander tijdens een gesprek.
  • Het niet of beperkt delen van interesses en emoties. Bijvoorbeeld:
    1. Je vertelt niet of weinig over jouw emoties en interesses, of je snapt niet wanneer het gepast is om dat te doen.
    2. Je weet niet goed hoe je moet reageren op iemand wanneer zij hun emoties en interesses delen.
  • Het niet of beperkt initiëren of reageren op sociale interactie. Bijvoorbeeld:
    1. Je initiërend (bijna) geen contact met anderen, of je snap niet wanneer dit "mag".
    2. Je reageert niet of niet altijd op de verwachtte manier wanneer iemand contact met jou zoekt.

A2: Beperkingen in non-verbaal communicatief gedrag ​

Non-verbaal communicatief gedrag gaat over al het gedrag dat dingen kan communiceren zonder woorden te gebruiken. Voorbeelden zijn:

  • Moeite met het integreren van verbale en non-verbale communicatie. Bijvoorbeeld:
    1. Je snap niet wat je moet doen als wat mensen verbaal zeggen en non-verbaal communiceren niet overeenkomt.
    2. Je non-verbale en verbale communicatie komen niet altijd overeen, bijv. omdat je moet lachen in een situatie waar dit niet "gepast" is
  • Abnormaliteiten in oogcontact en lichaamstaal. Bijvoorbeeld:
    1. Je vind oogcontact vervelend, of je snapt niet intuïtief wanneer je wel en niet oogcontact moet maken.
    2. Je snapt niet goed of intuïtief hoe je lichaamstaal kan gebruiken.

A3: Beperkingen in het ontwikkelen, onderhouden of begrijpen van relaties ​

Bijvoorbeeld:

  • Moeite hebben met je gedrag aanpassen binnen verschillende situaties. Bijvoorbeeld:
    1. Je gedraagt je hetzelfde met collega's als met vrienden, of snapt niet hoe je met mensen in een andere leeftijdscategorie om moet gaan.
    2. Je snap hiërarchie niet en/of merkt het niet op.
  • Moeite met fantasiespel. Bijvoorbeeld:
    1. Tijdens het spelen dingen alleen op jouw manier willen doen.
    2. Moeite met fantasieverhalen bedenken en meespelen met anderen die dit doen.
  • Moeite met het maken van vrienden, of een vernomen desinteresse in andere mensen. Bijvoorbeeld:
    1. Je wil in het algemeen liever zelf iets doen dat samen met anderen.
    2. Je snapt niet hoe vriendschappen werken en wanneer iemand een vriend is van je.

Domein B (beperkt, herhalend gedrag) ​

Dit domein gaat over beperkte, herhalende gedragspatronen, interesses en activiteiten. Hier moet je aan minimaal 2 van de 4 subcriteria voldoen om in aanmerking te komen voor een ASS diagnose.

B1: Stereotiepe of herhalende motorische bewegingen, gebruik van voorwerpen of spraak ​

Bijvoorbeeld:

  • Stimmen, zoals:
    1. Fladderen met armen of handen.
    2. Herhalend een bepaald geluid maken met je stem of een voorwerp.
  • Het steeds opnieuw organiseren en/of sorteren van voorwerpen. Bijvoorbeeld:
    1. Je maakt graag lijntjes met objecten.
    2. Je sorteert structureel je snoepjes op soort/smaak/kleur voordat je ze opeet.
  • Echolalie, zoals:
    1. Je herhaalt woorden die andere mensen zeggen. of die je bijvoorbeeld in een video hoort.

B2: Sterke behoefte aan duidelijkheid, inflexibiliteit in routines of verbale of non-verbale rituelen ​

Bijvoorbeeld:

  • Moeite met veranderingen en overgangen. Bijvoorbeeld:
    1. Je raakt ontregeld als er iets kleins veranderd in bijvoorbeeld je routine.
    2. Je hebt moeite met het verplaatsen van je aandacht van de ene naar de andere activiteit.
  • Rigide denkpatronen. Bijvoorbeeld:
    1. Je denkt snel in uiterste (zwart-wit-denken).
    2. Je heb overtuigingen die moeilijk te ontkrachten zijn, ook al zijn ze objectief niet kloppend.

B3: Beperkte, gefixeerde interesses die abnormaal zijn in intensiteit of focus ​

Dit worden ook wel "special interests" genoemd. Dit zijn interesses die heel strek zijn en waarbij je moeilijk aan wat anders kan denken. Dit kan over heel veen verschillende onderwerpen gaan; van treinen of paarden, tot technologie of het weer, en zelfs specifieke objecten of mensen.

B4: Over- of ondergevoeligheid voor sensorische prikkels of een buitengewone interesse in sensorische aspecten in de omgeving ​

Dit deel gaat over sensorische over-/hypergevoeligheid en onder-/hypogevoeligheid en "sensory seeking" gedrag. Bijvoorbeeld:

  • Grote afkeer voor luide geluiden.
  • Het niet doorhebben wanneer je het te koud of warm hebt.
  • Er niet tegen kunnen als er labels in je kleding zit.
  • In de IKEA alle geurkaarsen moeten ruiken.

Domein C ​

Er wordt voldaan aan dit domein als de symptomen die je hebt al aanwezig waren in de vroege ontwikkeling (dus toen je een klein kind was). Het domein zegt dat het wel kan zijn dat de symptomen er wel waren alleen nog grotendeels gecompenseerd konden worden in die tijd totdat de verwachtingen je capaciteit deed overstijgen. Ook zegt het dat de symptomen gecompenseerd kunnen worden door aangeleerd gedrag. Je moet aan dit domein voldoen om in aanmerking te komen voor een ASS diagnose.

Domein D ​

Er wordt voldaan aan dit domein als de symptomen klinisch significante lijdensdruk geeft in het sociale, beroepsmatig, of andere belangrijke onderdelen van het leven en huidig functioneren. Je moet aan dit domein voldoen om in aanmerking te komen voor een ASS diagnose.

Domein E ​

Er wordt voldaan aan dit domein als de symptomen niet beter uitgelegd kunnen worden door een verstandelijke beperking of globale ontwikkelingsachterstand. Er wordt wel benoemd dat deze ook samen met ASS voor kunnen komen. Je moet aan dit domein voldoen om in aanmerking te komen voor een ASS diagnose.

Niveaus ​

Bij het stellen van de diagnose ASS horen ook niveaus gegeven te worden. Lees daar hier meer over.